|
De wijze waarop de wet inzake medeëigendom (wet van 30.06.1994
- Belgisch Staatsblad 26.07.1994) tot stand is gekomen verdient
aandacht en lof.
Vooreerst werd een werkgroep van universiteitssprofessoren, advokaten,
deskundigen en pratici opgericht die tot taak had een voorontwerp
van wet op te stellen.
Deze tekst werd aan diverse belangengroepen (eigenaars, huurders,
professionele syndicus, enz.) ter advies voorgelegd. Daarna werd
het eigenlijk wetsontwerp in de Kamer van Volksvertegenwoordigers
neergelegd. Het werd er sereen, rustig maar grondig besproken.
Amendementen werden ingediend, uitvoerig bestudeerd en vaak aanvaard,
ongeacht of zij werden ingediend door leden van de meerderheid
of de oppositie.
Na stemming werd hetzelfde werk even sereen in de Senaat overgedaan.
De senatoren brachten nog wijzigingen aan zonder dat de regering
zich hiertegen verzette. Tenslotte keurde de Kamer de definitieve
wet goed.
Deze wet is slechts in voege getreden op 1 augustus 1995 zodat
de medeëigenaars de kans hebben gekregen de wet te bestuderen
en zich voor te bereiden op haar toepassing.
Deze wet is niet perfekt, want perfekte wetten bestaan niet.
Zij vult de lacunes van het burgerlijk wetboek aan, zet in wettekst
om hetgeen door de rechtspraak reeds gevestigd was en stelt paal
en perk aan hetgeen met de tijd misgroeit was.
Met deze wetgeving is een neutraal beheer met toepassing van
kennis en kunde én verantwoordelijkheid inzake het beheer
van medeëigendom invoege getreden. De wetgever heeft dan
ook veel belang gehecht aan een beroepskundig beheer van medeëigendom
waarbij de syndicus als énige verantwoordelijke optreedt
en waarbij hij niet in staat is om zijn verantwoordelijkheid over
te dragen (beperkte uitzonderingen niet te na gesproken).
|